NOOT VOORAF: de tekstgedeelten in deze kleur zijn enkel voor juristen bedoeld.

2.21 Wanneer de politie tegen u een snelheidsovertreding of een andere verkeersinbreuk heeft vastgesteld, volgt meestal een uitnodiging om een welbepaalde geldboete te betalen.

Doorgaans maakt u het volgende mee: de verkeerspolitie steekt een verzoek tot betaling van een geldboete onder uw ruitenwisser of zij stuurt u een “antwoordformulier” op, u betaalt, en u daarna hoort u niets meer van de hele zaak. U heeft betaald volgens de regeling van de onmiddellijke inning (O.I.), zoals meestal het geval is (zie hieronder nr. 2.22).

De betaling van de boete vanwege de politie gebeurde vroeger door middel van boetezegels (gekocht in het postkantoor), maar sinds april 2006 door middel van een overschrijving.

Bepaalde overtredingen zijn niet vatbaar voor onmiddellijke inning en komen dus steeds voor de Politierechtbank (zie verder nr. 2.41); dit gebeurt ook als u de geldboete niet (of niet tijdig) betaalt, en u kan inderdaad een goede reden hebben om de overtreding te betwisten (zie verder nr. 2.23 en vooral 2.42).

2.22 De hoogte van de geldboete bij onmiddellijke inning wordt uiteraard bepaald door de ernst van de overtreding.

2.221 De geldboete bedraagt 50, 100, 150, of 300 euro per overtreding, naargelang deze van de 1°, 2°, 3° of 4° graad is.

Art. 3 van het Koninklijk besluit van 22 december 2003 (betreffende de inning en de consignatie van een som bij de vaststelling van de overtredingen van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en zijn uitvoeringsbesluiten), zoals gewijzigd in september 2005, voorziet vanaf 31 maart 2006 de volgende bedragen van onmiddellijke inning:

“1°(…)
– 100 euro voor de overtredingen van de tweede graad;
– 150 euro voor de overtredingen van de derde graad;
– 300 euro voor de overtredingen van de vierde graad”.

Hetzelfde art. 3 eindigt als volgt: “3° De overige overtredingen van de reglementen uitgevaardigd op grond van de wet betreffende de politie over het wegverkeer kunnen aanleiding geven tot de inning van een som van 50 euro per overtreding”.

2.222 Voor snelheidsovertredingen geldt een afzonderlijk regime:

a. 1 tot 10 km/u. te snel: 50 euro (basisbedrag);

b. per bijkomende km. te snel: 5 euro (in principe) of 10 euro (in de bebouwde kom, en dergelijke) erbij.

Het zopas aangehaalde art. 3 van het Koninklijk besluit van 22 december 2003 bepaalt:

“2° Het overschrijden van de toegelaten maximumsnelheid bepaald in de reglementen uitgevaardigd op grond van de wet betreffende de politie over het wegverkeer kan, per overtreding, aanleiding geven tot de inning van de volgende som :
– voor de eerste 10 kilometer per uur boven de toegelaten maximumsnelheid bedraagt de som 50 euro;
– binnen de bebouwde kom, in een zone 30, schoolomgeving, woonerf en erf wordt boven de eerste 10 km/u. boven de toegelaten maximumsnelheid de som van 50 euro met telkens 10 euro vermeerderd voor elke bijkomende kilometer per uur waarmee de toegelaten maximumsnelheid wordt overschreden;
– in alle andere gevallen wordt boven de eerste 10 kilometer per uur boven de toegelaten maximumsnelheid de som van 50 euro vermeerderd met telkens 5 euro voor elke bijkomende kilometer per uur waarmee de toegelaten maximumsnelheid wordt overschreden”.

Bij voorbeeld: wie in een “zone 30” 38 km./u. heeft gereden betaalt bij onmiddellijke inning 50 euro; indien hij daar 46 km./u. heeft gereden zal hij (50 euro als basis + daarbovenop 6 km x 10 euro of 60 euro =) 110 euro betalen; bedroeg de snelheid daar 58 km./u., dan loopt het prijskaartje op tot (50 + 180 =) 230 euro.
Wie op de autosnelweg 138 heeft gereden zal (50 + 40 =) 90 euro moeten betalen; was de snelheid 158 dan betaalt men (50 + 140 =) 190 euro.

OPMERKING: de snelheidsmeting moet voldoen aan bepaalde wettelijke voorschriften en zij is bovendien onderworpen aan een foutmarge.

Het Hof van Cassatie heeft (op 5 april 2006) overwogen dat art. 4 van bijlage 2 bij het K.B. van 11 oktober 1997 bepaalt dat de persoon die het meettoestel bedient een specifieke opleiding moet hebben genoten en dat de snelheidsovertreding vastgesteld door een politie-agent die voormelde opleiding niet heeft gekregen dus geen bewijskracht bezit.

Lagere rechtbanken hebben talloze keren de snelheidsmeting ongeldig of zonder bewijskracht verklaard, omdat het gebruikte toestel niet voldeed aan de voorschriften van het voormelde K.B. of dat dit niet kon worden afgeleid uit het proces-verbaal.

MAAR het hoogste Hof heeft op 12/03/2002 beslist dat ook met een nog niet geijkt toestel geldig een snelheidsovertreding kan worden geconstateerd.

TIP: dus wanneer niet kan worden nagegaan of de snelheidsmeter voldoet aan de technische voorschriften (bvb. omdat de verbalisanten de identificatie van het meettoestel niet hebben vermeld) of wanneer de gemeten snelheid slechts 5 km/u (of slechts 7 km/u op de autosnelwegen) hoger was dan de toegelaten snelheid, dan kan u mogelijks ontsnappen aan een geldboete.

Art. 62 Wegverkeerswet (zijnde de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968): “(…) De automatisch werkende toestellen, gebruikt om toezicht te houden op de naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, moeten goedgekeurd of gehomologeerd worden, op kosten van de fabrikanten, invoerders of verdelers die de goedkeuring of homologatie aanvragen, overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, waarin bovendien bijzondere gebruiksmodaliteiten van deze toestellen kunnen worden vastgesteld”.

In meerdere gevallen kan worden betwist dat de snelheidsovertreding op een geldige wijze werd vastgesteld of dat er wel sprake is van een snelheidsovertreding. In dit kader moet vooral rekening worden gehouden met het Koninklijk Besluit van 11 oktober 1997 “betreffende de goedkeuring en homologatie van de automatisch werkende toestellen gebruikt om toezicht te houden op de naleving van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en haar uitvoeringsbesluiten” (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 24 oktober 1997, in werking getreden op 3 november 1997).

Zo voorziet art. 2.1 van dit K.B. dat de meettoestellen onderworpen zijn aan 1° de modelgoedkeuring, 2° de eerste ijk, 3° de herijk, en 4° de technische controle bedoeld in de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden en het K.B. van 20 december 1972.

HOOFDSTUK I. – Meettoestellen

Artikel 1. Toepassingsgebied

1.1. Hoofdstuk I geldt voor de toestellen voorzien in 1.2. die gebruikt worden om toezicht te houden op de naleving van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 en haar uitvoeringsbesluiten.
1.2.1. De toestellen die rechtstreeks of onrechtstreeks de snelheid van voertuigen meten, in dit besluit en zijn bijlagen 1 tot 3 “snelheidsmeters” genoemd, zijn onderworpen aan de goedkeuring bedoeld in artikel 2.
1.2.2. De installatie van vaste uitrustingen die het voorbijrijden van de verkeerslichten kunnen vaststellen en die werken in samenhang met de snelheidsmeters, is onderworpen aan de homologatie bedoeld in artikel 3.

Art. 2. Goedkeuring

Modelgoedkeuring – Eerste ijk – Herijk – Technische controle
2.1. De meettoestellen zijn onderworpen aan de modelgoedkeuring, aan de eerste ijk, aan de herijk en aan de technische controle, bedoeld in de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen en het koninklijk besluit van 20 december 1972 houdende gedeeltelijke inwerkingtreding van de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, meetstandaarden en meetwerktuigen, en tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten van hoofdstuk II van deze wet, over de meetwerktuigen.
2.2. Om de modelgoedkeuring en de aanvaardingsmerken zowel bij de eerste ijk als bij de herijk en de technische controle te kunnen verkrijgen, moeten de meettoestellen voldoen aan de voorschriften bepaald in de bijlagen bij dit besluit.

De snelheidsmeters werken op basis van het meten van de mate van samendrukking van de lucht door het voertuig: hoe sneller het rijdt, hoe meer het de lucht samendrukt (zie het Doppler – effect). De snelheidsmeting kan derhalve in positieve of negatieve zin worden beïnvloed door de temperatuur, de eventuele neerslag,…, en zo kan een foutieve meting van de snelheid ontstaan.

Art. 2.2 van het K.B. van 11 oktober 1997 stelt dat de meettoestellen moeten voldoen aan de voorschriften in de bijlagen N. In deze bijlagen zijn allerlei technische voorschriften vastgelegd voor de snelheidsmeters, die de volgende foutmarges mogen opleveren :

a. wanneer de snelheid wordt gemeten onder de referentiewaarden voorzien in N1, art. 7.2.1, moet de fout in de aanduiding van de gemeten snelheid kleiner zijn dan 3 km boven of onder de werkelijke snelheid tot 100 km/u en dan 3% boven of onder de werkelijke snelheid van meer dan 100 km/u (art. 7.2.3 en 7.4 van N1) ; hierbij wordt opgemerkt dat één van de referentiewaarden 20° C is, naast een relatieve vochtigheid van 50 à 70 %, zodat de snelheidsmeting in werkelijkheid vaak onder deze referentiewaarden gebeurt ;

b. bovendien voorziet art. 7.2.5 van N1 dat ingevolge de wijziging van allerlei factoren (zoals de verlaging van de voedingsspanning, een ander inhalend voertuig dat sneller rijdt, e.d.) de gemeten snelheid een afwijking mag vertonen van 6 km/u voor snelheden tot 100 km/u en zelfs van 6 % voor snelheden boven de 100 km/u.

Gelet op het bovenstaande is het logisch dat geen snelheidsovertreding afdoende wordt bewezen wanneer de meting van de flitspaal op een autosnelweg een resultaat geeft van 127 km/u (zijnde van minder dan 6 % boven 120 km/u). Hetzelfde geldt wanneer de gemeten snelheid 35 km/u was in een zone waar 30 km/u toegelaten was. De meeste parketten vermelden dan ook terecht naast de gemeten snelheid de gecorrigeerde snelheid, zijnde deze waarbij de gemeten snelheid wordt verminderd met 6 km/u (tot 100 km/u) of met 6 % (boven 100 km/u).

OPMERKING: wie meer dan 40 (of 30) km. per uur te snel heeft gereden kan niet genieten van het systeem van onmiddellijke inning en wordt dus steeds voor de Politierechtbank gedagvaard door toedoen van het Parket (zie verder Rechterlijke veroordeling, onder nr. 2.41 en ook nr. 2.44,2°).

2.223 Bij lichte alcoholintoxicatie, dit is van minstens 0,22 mg/l – zijnde milligram alcohol per liter longlucht – (overeenstemmend met 0,5 pro mille – zijnde 0,5 gram alcohol per liter bloed – ) maar minder dan 0,35 mg/l (of 0,8 gr./l.), beloopt de onmiddellijke inning 150 euro.

Maar: was de alcoholintoxicatie zwaar, dan is het systeem van onmiddellijke inning niet toepasselijk en wordt men dus voor de Politierechtbank gedagvaard.

Voor meer gegevens zie verder Rechterlijke veroordeling, onder nr. 2.44,3°.

2.23 Wanneer de overtreder zijn onmiddellijke inning niet betaalt, wordt zijn dossier overgemaakt aan het Parket. De Procureur des Konings ( of in werkelijkheid één van zijn substituten) ziet het dossier na; hij kan seponeren, maar doorgaans stelt hij een minnelijke schikking voor.

Deze valt in principe 10 euro duurder uit dan de onmiddellijke inning; ze kan gekoppeld worden aan bepaalde voorwaarden, bijvoorbeeld de voorwaarde dat de benadeelden vóór een bepaalde datum volledig moeten vergoed zijn. Wie betaalt, wordt niet verder vervolgd door het Parket.

Negen van de tien minnelijke schikkingen worden betaald.

2.24 Wie een minnelijke schikking betaalt, kan niet meer strafrechtelijk worden vervolgd, tenzij het Openbaar Ministerie het omgekeerde meedeelt binnen de maand vanaf de betaling

(zie art. 65 §2 Wegverkeerswet, zijnde de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968).

Wie niet betaalt, wordt voor de politierechtbank gedagvaard. Het gaat om 1 tot 2 procent van de (niet-betaalde) onmiddellijke inningen.

TIP: U kan een goede reden hebben om de minnelijke schikking te weigeren: er werd in werkelijkheid helemaal geen overtreding begaan, of u reed niet met deze auto op het ogenblik van de verkeersovertreding, of de opgelegde boete is onredelijk hoog wanneer men rekening houdt met de concrete gegevens en/of met uw slechte financiële toestand,… Maak uw argumenten dan schriftelijk kenbaar aan de Procureur des Konings, bijvoorbeeld via het antwoordformulier dat u moet terugsturen naar de politie. Zeker als u dekking in rechtsbijstand geniet kan u vervolgens, zo nodig, verkiezen dat de zaak met de bijstand van uw advocaat wordt gepleit voor de Politierechtbank (MAAR zie verder Rechterlijke veroordeling, meerbepaald de noot bij nr 2.42: zelfs een milde veroordeling valt duur uit).

2.25 Let op: het Parket (de Procureur des Konings) kan ook voor een lichte overtreding overgaan tot dagvaarding voor de Politierechtbank; zo ook kan het een zware overtreding seponeren (zonder verder gevolg laten). Het beslist daarover autonoom.