NOOT VOORAF: de tekstgedeelten in lichtgrijze kleur zijn enkel voor juristen bedoeld.

De verjaringstermijnen worden om uiteenlopende redenen geschorst (waardoor de verjaring tijdelijk niet meer verderloopt) of gestuit (waardoor de verjaringstermijn opnieuw vanaf nul herbegint).

8.21 Bij stuiting wordt de lopende verjaring onderbroken en herbegint de verjaringstermijn opnieuw (dus voor een duur die gelijk is aan de oorspronkelijke verjaringstermijn).

De stuiting van de verjaring kan slechts één keer worden toegepast en zij moet gebeuren voordat de eerste verjaringstermijn verstreken is.

Er bestaan slechts twee soorten stuitingsdaden, nl. :

a. daden van onderzoek : elke daad gesteld door een bevoegd persoon om het strafdossier samen te stellen ; voorbeelden: een proces-verbaal van de politie – een kantschrift van een parketmagistraat om aan de gemeente inlichtingen te vragen – een vraag van een parketmagistraat aan een vertaler om bepaalde stukken te vertalen – de behandeling van de zaak ter zitting – een tussenvonnis om aan de partijen toe te laten bijkomende bewijzen voor te leggen;

het is belangrijk dat de onderzoeksdaad is gesteld door een persoon die wettelijk bevoegd is om het onderzoek te verrichten, zoals de rechter, een parketmagistraat, en de politie ; zo kunnen niet worden beschouwd als daden van onderzoek en zullen zij dus niet de verjaring stuiten: de neerlegging van een verslag door de gerechtsdeskundige, de overmaking van een dossier door een griffier, en soortgelijke daden door personen die niet bevoegd zijn voor onderzoeksdaden;

b. daden van vervolging : een bevoegd persoon oefent de strafvervolging uit of zet deze verder; bvb.: de dagvaarding door de Procureur des Konings, de beslissing door de rechter om de zaak te verdagen, de rechtstreekse dagvaarding door een burgerlijke partij, het hoger beroep aangetekend door het Openbaar Ministerie, het vonnis zelf, de opdracht tot betekening van een verstekvonnis en deze betekening zelf.

Art. 22. Wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (V.T. Sv.): “De verjaring van de strafvordering wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of van vervolging, verricht binnen (de in artikel 21 bepaalde termijn).
Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren”.

Een voorbeeld : een verkeersovertreding (met verjaringstermijn van één jaar) wordt begaan op 15 april 2008. Op 10 april 2009 wordt de laatste stuitingsdaad binnen de eerste termijn van één jaar gesteld ; op 10 april 2010 is het misdrijf verjaard en kan de Politierechtbank dus geen veroordeling meer uitspreken.
Wordt de beklaagde door de Politierechtbank bvb. pas op 29 maart 2010 veroordeeld, dan zal hij voor de verkeersovertreding moeten worden vrijgesproken als hij hoger beroep aantekent. Immers, de beroepstermijn is 15 dagen, te vermeerderen met de meerdere dagen nodig om de zitting in hoger beroep te laten doorgaan.

Merkt men dat de inleidende zitting voor de Politierechtbank zetelend in strafzaken (S.Z.) pas bvb. 18 dagen vóór de verjaring van de strafvordering doorgaat, dan kan men eerst verstek laten gaan, dan verzet aantekenen en tenslotte hoger beroep aantekenen. Zo zal men aan veroordeling ontsnappen.

8.22 Bij schorsing loopt de verjaring niet verder gedurende een zekere termijn.

De schorsing is dus enkel maar een soort oponthoud in de loop van de verjaring, nl. vanaf het ontstaan van de grond van schorsing totdat deze grond wegvalt (waarna de verjaring weer verder loopt).

Van schorsing is sprake wanneer een wettelijk beletsel bestaat om de strafvordering in te stellen of uit te oefenen, of wanneer de wet schorsing voorziet.

Voorbeelden van gronden van schorsing van de verjaring :

a. de behandeling van een exceptie (verweer) van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid opgeworpen door de beklaagde, de burgelijke partij of de burgerlijk aansprakelijke partij (maar niet door het Openbaar Ministerie) ; de voorwaarde is wel dat de exceptie wordt verworpen (art. 24, al. 2 V.T. Sv.) ;
b. tevens schorsing vanaf de dag dat de zaak wegens een prejudicieel geschil wordt verwezen naar het hiervoor bevoegde rechtscollege (i.h.b. het Grondwettelijk Hof) tot de dag waarop dit rechtscollege haar uitspraak ter kennis heeft gebracht aan de rechtbank ;
c. indien de rechtbank een veroordeling opschort op grond van de Probatiewet wordt de verjaring geschorst vanaf de dag waarop het vonnis in kracht van gewijsde is getreden, over de volledige duurtijd van de vastgelegde proefperiode ;
d. tevens schorsing gedurende de buitengewone termijn van verzet, nl. vanaf het verstrijken van de gewone termijn van verzet (15 dagen na de betekening van het verstekvonnis) tot de dag waarop het verzet is aangetekend ; deze schorsing werkt ook t.a.v. de andere mededaders en medeplichtingen aan dezelfde of samenhangende feiten ;
e. tenslotte ook schorsing bij cassatieberoep, nl. vanaf de dag van de bestreden uitspraak tot de dag waarop het cassatie-arrest wordt geveld, en mits het cassatieberoep ontvankelijk wordt verklaard.

Zo wordt de verjaring geschorst door een klacht wegens valsheid (van de getuigenis of van het proces-verbaal), een verweer door de beklaagde betreffende de ontvankelijkheid van de strafvordering of betreffende de bevoegdheid van de rechtbank, de buitengewone verzetstermijn, het cassatieberoep, …

Anders dan bij stuiting kan de schorsing gebeuren buiten de oorspronkelijke verjaringstermijn, dus binnen de termijn die werd toegevoegd ingevolge stuiting.

Art. 24. “De verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert.
Gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid is de strafvordering geschorst. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst.”

8.23 Om dus te berekenen of men voor een bepaald misdrijf (i.h.b. een verkeersinbreuk) nog kan worden veroordeeld dient men eerst de verjaringsduur te bepalen rekening gehouden met de laatste nuttige stuitingsdaad maar niet met de schorsingsgronden en dient men vervolgens daarbij het aantal dagen van schorsing te tellen.

In het hierboven gegeven voorbeeld zou de verjaring zijn tussengekomen op 10 april 2010. Veronderstel evenwel dat schorsing van de verjaring is gebeurd vanaf 1 januari t.e.m. 1 februari 2010, dan wordt kwestieuze termijn verlengd met 31 dagen (zodat in het voorbeeld pas verjaring tussenkomt op 10 april 2008 + 31 dagen, hetzij op 11 mei 2010).