Het normale verloop van een burgerlijke (d.w.z. niet-strafrechtelijke) zaak, voor één van de zopas opgesomde rechtbanken, kan als volgt worden geschetst (art. 735 tot 754 Gerechtelijk Wetboek) :

onderhandelingen (= nastreven van een minnelijke regeling) ;

via een exploot van dagvaarding (betekend door een gerechtsdeurwaarder) of via een akte tot vrijwillige verschijning (waarvan de volledige tekst gezamenlijk door de betrokken advocaten is opgesteld) wordt de zaak ingeleid voor de bevoegde rechtbank ;

op de inleidende zitting (normalerwijze ongeveer 2 weken na de dagvaarding) wordt de zaak meestal naar de rol verzonden, d.w.z. onbepaald uitgesteld ; ofwel wordt op deze zitting de procedurekalender vastgelegd en wordt dus geregeld tegen welke data de conclusies van de partijen moeten zijn meegedeeld;

belangrijkste uitzonderingen :

-op de inleidende zitting kan een gedeeltelijke uitspraak, zoals de toekenning van een provisionele vergoeding (dus een voorschot) of de aanstelling van een gerechtsdeskundige, worden bekomen ingeval terzake slechts korte debatten nodig zijn ;
-een volledige beoordeling en dus een definitieve uitspraak kan worden bekomen ingeval tegenpartij verstek * laat gaan (dus niet optreedt als partij) ;
-in zover er een akkoord tussen de partijen bestaat moet de rechter dit in principe respecteren ;

de eiser, die de dagvaarding heeft uitgestuurd en die een bedrag of iets anders vordert, moet eerst alle aangewende bewijsstukken overmaken aan tegenpartij, de verweerder ; aan deze vraagt hij tezelfdertijd om te concluderen (d.w.z. de argumenten schriftelijk kenbaar te maken) binnen de wettelijke termijn, zijnde één maand ; in de praktijk verleent (de advocaat van) eiser aan (de advocaat van) verweerder een langere termijn, nl. van minstens 2 maanden;

blijkt tegenpartij na deze termijn nog niet te hebben geconcludeerd, dan zal eiser de regeling van de procedure (een “rechtsdag”) aanvragen (indien dit nog niet op de inleidende zitting zou zijn geregeld); dit betekent dat hij een verzoekschrift neerlegt ter griffie, waarbij hij aan de voorzitter verzoekt om de data vast te leggen tegen dewelke de betrokken partijen uiterlijk moeten hebben geconcludeerd en om tevens de datum van de pleitzitting te bepalen (ofwel om enkel de datum vast te leggen tegen dewelke tegenpartij moet hebben geconcludeerd);

meestal volgt relatief kort daarna de uitspraak waarbij voormeld verzoek wordt ingewilligd;

zou een partij zijn conclusie niet ter griffie hebben neergelegd voor de einddatum daarvoor voorzien in deze uitspraak, dan wordt de – te laat overgemaakte – conclusie uit de debatten geweerd, dus als onbestaande beschouwd ; maar meestal zal de advocaat van de andere partij uit confraternaliteit aan de voorzitter vragen om deze zware sanctie achterwege te laten;

op de pleitzitting mogen de partijen enige mondelinge toelichting geven ; indien de aansprakelijkheid niet (meer) wordt betwist, dan wordt meestal geen dergelijke mondelinge uitleg meer gegeven en dan verwijzen de partijen louter naar de bewijsstukken en de conclusies;

(meestal meerdere maanden later:) vonnis;

10° eventueel : hoger beroep ; de termijn om hoger beroep te mogen aantekenen is één maand, te rekenen vanaf de dag waarop het vonnis (via gerechtsdeurwaarder) is betekend;

Let wel op : tegen de uitspraak van een strafrechtbank mogen de beklaagden én de benadeelden (die zich burgerlijke partij hebben gesteld) slechts hoger beroep aantekenen gedurende een termijn van 15 dagen, te rekenen vanaf de datum van het vonnis (en dus zonder dat betekening nodig is !)

11° in hoger beroep wordt de zaak volledig opnieuw beoordeeld (in de mate dat hoger beroep is aangetekend);

12° in uitzonderlijke gevallen, die geen betrekking mogen hebben op de feiten, kan na het hoger beroep nog cassatieberoep worden aangetekend.

Noten:

1. Op om het even welk ogenblik kunnen de partijen het geschil tussen hen en de hangende procedure vrijwillig beëindigen (ook bvb. na de pleitzitting in hoger beroep); dit kan meerbepaald doordat de partijen een dading * sluiten, zijnde een overeenkomst die definitief de rechten en plichten van de partijen tegenover elkaar vastlegt, bij wederzijdse toegevingen, en die zo een einde maakt aan het geschil.

2. De vordering van een benadeelde die zich burgerlijke partij heeft gesteld voor de Strafrechtbank volgt niet de regels van de burgerlijke procedure maar wel deze van de strafrechtelijke procedure.