NOOT VOORAF: de tekstgedeelten in lichtgrijze kleur zijn enkel voor juristen bedoeld.

* Geniet u geen dekking in rechtsbijstand, dan dient u rekening te houden met de nieuwe regeling betreffende de terugbetaling van de advocatenkosten

(Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 mei 2007, tweede editie, en Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 “tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek”, van kracht vanaf 1/1/08).

Bij deze regeling wordt de verliezende partij veroordeeld tot een zeker bedrag, als forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Deze tegemoetkoming (dus gedeeltelijke terugbetaling) wordt aangeduid met de term “rechtsplegingsvergoeding”, die als gedingkosten worden beschouwd.

TITEL IV – UITGAVEN EN KOSTEN

Artikel 1017 Gerechtelijk Wetboek: “Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.
Behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, wordt de (arbeidsongevallenverzekeraar) steeds in de kosten verwezen.
De kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt (…).
In een onderzoeksvonnis wordt de beslissing inzake kosten steeds aangehouden”.

Artikel 1018: “De kosten omvatten:
(…)6° de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022;
(…)”

Art. 1022: “De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. (…)

Op verzoek van een van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing, kan de rechter ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met :
– de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;
– de complexiteit van de zaak;
– de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;
– het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

(…)”.

* Het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 “tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek” (van kracht vanaf 1/1/08) heeft de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd.

Art. 10 K.B. (Koninklijk besluit van 26 oktober 2007): “Treden in werking op 1 januari 2008 :
– De artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat
– Dit besluit”.

Deze forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (zie art. 1022 Gerechtelijk Wetboek) verschilt naargelang de volgende gegevens:

a. eerst wordt een onderscheid gemaakt naargelang de som van de vordering ; het gaat hier om de hoofdsom vermeerderd met de vergoedende intrest (maar niet met de gedingkosten), volgens de laatste conclusie (zie art. 618 Ger. W. en ook art. 557 tot 562 Ger. W.) ; naargelang de hoogte van voormelde som zijn categorieën van rechtsplegingsvergoeding voorzien (per schijf);

Art. 2 K.B. : (…)
Voor de toepassing van dit artikel wordt het bedrag van de vordering vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg. (…)

Art. 560 Ger.W.: Wanneer een of meer eisers optreden tegen een of meer verweerders, wordt de bevoegdheid bepaald door de totale gevorderde som, ongeacht ieders aandeel daarin.

Art. 618 Ger.W.: De regels gesteld bij de artikelen 557 tot 562 gelden voor het bepalen van de aanleg.
Indien de vordering in de loop van het geding gewijzigd is, wordt de aanleg bepaald door de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd.

b. elk van deze categorieën van rechtplegingsvergoeding bestaat uit 3 bedragen, nl. 1° een basisbedrag, zijnde de rechtsplegingsvergoeding die doorgaans dient te worden toegekend, 2° een minimumbedrag, die zal worden toegepast wanneer het geschil zeer eenvoudig kon worden opgelost of wanneer verstek werd verleend (omdat de tegenpartij niet is verschenen), en 3° een maximumbedrag, dat enkel wordt toegestaan wanneer de zaak moeilijk en complex is geweest ; de toe te kennen rechtsplegingsvergoeding werd door de wetgever met telkens een grote vork bepaald, met als geringste bedrag 75 € en als hoogste 30.000 €; maar zelfs als de vordering meerdere miljoenen euro bedraagt kan de rechter de rechtsplegingvergoeding bepalen op (het minimum t.b.v.) 1.000 €;

c. de rechter moet bij de bepaling van de hoogte van de rechtsplegingsvergoeding meerbepaald rekening houden 1° met de financiële draagkracht van de verliezende partij (om het bedrag van de vergoeding te verminderen), 2° met de complexiteit van de zaak, 3° met de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij, en 4° met het kennelijk onredelijk karakter van de situatie (zie art. 1022 Ger. W.);

d. voormelde bedragen van de rechtsplegingsvergoeding zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.

De bedragen van de RPV (rechtsplegingsvergoeding) zijn meerbepaald:

Vordering
Basisbedrag
Minimum
Maximum
* tot 250,00 €
150,00 €
75,00 €
300,00 €
 van 250,01 tot 750,00 €
200,00 €
125,00 €
500,00 €
 van 750,01 tot 2.500,00 €
400,00 €
200,00 €
1.000,00 €
 van 2.500,01 tot 5.000,00 €
650,00 €
375,00 €
1.500,00 €
 van 5.000,01 tot 10.000,00 €
900,00 €
500,00 €
2.000,00 €
 van 10.000,01 tot 20.000,00 €
1.100,00 €
625,00 €
2.500,00 €
 van 20.000,01 tot 40.000,00 €
2.000,00 €
1.000,00 €
4.000,00 €
 van 40.000,01 tot 60.000,00 €
2.500,00 €
1.000,00 €
5.000,00 €
van 60.000,01 € tot 100.000 €
3.000,00 €
1.000,00 €
6.000,00 €
 van 100.000,01 tot 250.000 €
5.000,00 €
1.000,00 €
10.000,00 €
 van 250.000,01 tot 500.000 €
7.000,00 €
1.000,00 €
14.000,00 €
 van 500.000,01 tot 1.000.000 €
10.000,00 €
1.000,00 €
20.000,00 €
meer dan 1.000.000 €
15.000,00 €
1.000,00 €
30.000,00 €
 Niet in geld waardeerbaar
1.200,00 €
75,00 €
10.000,00 €

 

Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding:

Art. 3 K.B.: “Voor de geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 1.200 euro, het minimum bedrag 75 euro en het maximum bedrag 10.000 euro” .

Art. 6 K.B.: “Wanneer de zaak wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek, en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat van de minimumvergoeding”.

Conform art. 8 van het voormelde KB van 26 oktober 2007 worden de rechtsplegingsvergoedingen verhoogd (of veminderd) met 10 % telkens het indexcijfer van de consumptieprijzen stijgt (of daalt) met 10 punten t.o.v. het indexcijfer 105,78 (basis 2004). Het indexcijfer van februari 2011 is 116,33, zodat de rechtsplegingsvergoedingen vanaf 1 maart 2011 worden verhoogd met 10 %. De situatie na deze verhoging: 150 wordt 165,00 €,75 wordt 82,50 €, 300 wordt 330,00 €, enzoverder.

Bij volledige betaling vóór inschrijving op de rol: geen rechtsplegingsvergoeding.
Bij volledige betaling na inschrijving op de rol: 1/4 van het basisbedrag, met een maximum van 1.100 €.

* Merkwaardig is het feit dat de wetgever voormelde rechtsplegingsvergoeding ook heeft voorzien voor burgerlijke vorderingen bij een strafrechtelijke procedure (terwijl voordien geen R.P.V. bestond bij een strafrechtelijke procedure).

De verliezende partij moet dus ook bovenstaande R.P.V. betalen indien klacht met burgerlijke-partijstelling voor de onderzoeksrechter werd ingediend of indien een burgerlijke partij een vordering heeft gesteld tegen de beklaagde (d.m.v. burgerlijke-partijstelling of d.m.v. rechtstreekse dagvaarding) (art. 128, 162bis, 194, 211 en 369bis van het Wetboek van Strafvordering).

Uitzondering: wordt de beklaagde vrijgesproken, dan moet de benadeelde enkel de R.P.V. betalen als hij de strafrechtelijke procedure zelf in gang heeft gezet.

WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Artikel 128: “Indien de raadkamer van oordeel is dat het feit noch een misdaad, noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert, of dat tegen de inverdenkinggestelde generlei bezwaar bestaat, verklaart zij dat er geen reden is tot vervolging.
In dat geval en indien het onderzoek werd ingeleid door de burgerlijke partijstelling in handen van de onderzoeksrechter, wordt de burgerlijke partij veroordeeld tot het aan de inverdenkinggstelde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek”.

[…] Art. 162bis : “Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.
De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.
De vergoeding wordt bepaald door het vonnis”.

* In strijd met het bovenstaande moet worden beklemtoond dat de rechtsplegingsvergoedingen véél lager liggen voor arbeidsrechtelijke geschillen.

Dan ligt het basisbedrag maar tussen 36,46 en 291,50 €, terwijl het hoogste maximumbedrag slechts 331,50 € bedraagt.

* Art. 13 van de wet van 21 april 2007 bepaalt dat de nieuwe wettelijke bepalingen ook van toepassing zijn op hangende zaken.

TIP Dus moet de rechtsplegingsvergoeding onmiddellijk worden gevorderd door uw advocaat, ook voor zaken die reeds jaren geleden zijn ingeleid.

* Art. 1 van het K.B. van 26 oktober 2007 bepaalt bovendien : “De bedragen worden vastgelegd per aanleg”.

Volgt na een procedure in eerste aanleg hoger beroep, dan zal de twee keer verliezende partij twee keer de rechtsplegingsvergoeding moeten betalen.

* Als slotbedenking willen wij opmerken dat een voldoende ruime dekking in rechtsbijstand thans nog meer nodig is dan vroeger.

Wie, wellicht tegen zijn eigen verwachtingen in, in het ongelijk wordt gesteld moet thans ook de hoge RPV betalen aan de tegenpartij ; als hij dekking in rechtsbijstand geniet moet hij dit uiteraard niet zelf betalen, maar in de andere gevallen komt hij mogelijks voor een onvoorziene en zware uitgave te staan.

Ook wanneer u uiteindelijk toch in het gelijk wordt gesteld kan het goed zijn dat uzelf de staat van ereloon en kosten van uw advocaat geheel of gedeeltelijk moet betalen ; vooreerst is het goed mogelijk dat tegenpartij onvermogend is, wat vaak pas kan worden vastgesteld nadat de hele procedure achter de rug is (nl. na de betekening van het vonnis en na het begin van gedwongen uitvoering via gerechtsdeurwaarder) ; vervolgens dekt de aan u toegekende RPV meestal slechts een deel van de staat van ereloon en kosten van uw advocaat. In soortgelijke gevallen zal u ongetwijfeld blij zijn dat de rechtsbijstandsverzekeraar de advocatenkosten moet dragen.