Noot vooraf: zie ook Welke personen en instanties moeten worden gecontacteerd bij een overlijden?

13A. Vergoeding voor kosten

13.1 Medische kosten

Indien het slachtoffer nog geneeskundige zorgen heeft gekregen vooraleer te overlijden, dienen de medische kosten (inbegrepen het vervoer per spoedopname en dergelijke) te worden vergoed aan de nabestaanden.

13.2 Begrafeniskosten

Daarnaast dienen de begrafenis- en andere kosten te worden vergoed. Hier dient men voor ogen te houden dat er zeer veel verschillende dergelijke kosten bestaan (kledijschade, drukwerk zoals de doodsbrieven en de doodsprentjes, eventuele publicatie in dagbladen, rouwmis, grafconcessie, rouwkledij, bloemen, soms een zangkoor, doodskist, rouwmaaltijd, vervoer per lijkwagen, en meerdere andere begrafeniskosten).

De Indicatieve Tabel 2016 (kenbaar gemaakt op 9 maart 2017):

“De begrafeniskosten maken in principe een last uit van de nalatenschap. Zij worden echter door de aansprakelijke terugbetaald aan de persoon die deze kosten effectief heeft gemaakt.

Buitensporige uitgaven kunnen worden herleid.

Bij vergoeding van grafkelders, grafzerken, grafmonumenten en concessies wordt eventueel rekening gehouden met het aantal voorziene plaatsen.

Er moet rekening mee worden gehouden dat deze uitgave een vervroegde betaling kan uitmaken :

– indien de waarschijnlijke overlevingsduur van degene die de schade draagt, langer is dan deze van het slachtoffer, zou deze laatste ook zonder het schadeverwekkend feit de begrafeniskosten hebben moeten dragen een bestaat zijn schade uit de vervroegde betaling ervan ; de schade bestaat alsdan uit het verschil tussen de huidige uitgave en de contante waarde van het bedrag dat normaal uitgegeven zou zijn op de vermoedelijke toekomstige datum van het overlijden, gesteld dat er geen schadegeval zou zijn gebeurd ;
– indien de waarschijnlijke overlevingsduur van degene die de schade draagt, korter is dan deze van het slachtoffer, zou deze schadelijder de kosten normaliter niet hebben moeten dragen, zodat er geen verrekening dient te geschieden (bv. de ouder voor zijn kind)”.

13.3 Aanverwante kosten

In het algemeen worden de uitgaven voor transport, personeel, een lijkkist en de huur van een tijdelijke grafkelder aanvaard. Uit de rechtspraak blijkt dat de aangerekende prijzen zeer sterk verschillen.

De kosten voor een grafkelder en grafzerk worden vanzelfsprekend in principe volledig vergoed. Dit is niet altijd het geval wanneer de kosten als ongewoon of overdreven worden geacht, zoals de aanstelling van een architect om de grafsteen te ontwerpen, het aanleggen van een voetpad in graniet langs het grafzerk, en het gebruik van abnormaal dure materialen zoals zilver en graniet.
De kosten voor de kerkelijke plechtigheid, inbegrepen voor de muzikale opluistering en de tekstboekjes, zijn in principe vergoedbaar, zeker wanneer het gaat om een verongelukt kind.

Het kan eigenaardig worden genoemd dat de bloemen en kransen niet vergoedbaar worden geacht in vele gevallen, omdat de uitgave ervoor enkel een uiting van een persoonlijk eerbetoon zou zijn.

De uitgaven voor een rouwmaaltijd worden wel vergoed. Het probleem stelt zich wel betreffende al te hoge kosten voor de drank… De kosten voor de akte van bekendheid en voor de uittreksels uit de burgerlijke stand worden door de rechtspraak meestal aanvaard als zijnde vergoedbaar.

13.4 Rouwkledij

Voor de rouwkledij wordt bijna steeds naar billijkheid (“ex aequo et bono”), dus volgens een ruwe schatting, een vergoeding toegekend, bvb. van 200 €, o.a. omdat deze kledij ook bij latere begrafenissen kan worden gebruikt. Wanneer het niet gaat om specifieke rouwkledij wordt vaak geoordeeld dat het gaat om klederen die in het gewone leven kunnen worden gebruikt zodat geen vergoeding wordt toegekend.

De huurkosten voor specifieke rouwkledij worden wel volledig vergoed. Daarnaast is er de schade aan de kledij van de overledene zelf. Opmerkelijk hierbij is dat men blijkbaar enkel maar vergoeding vordert voor de kledij die bij het ongeval zelf werd vernield ; het is toch logisch dat ook de klederen die in de kleerkast van de overledene hangen zo goed als waardeloos zijn geworden door het overlijden, zodat ook daarvoor vergoeding zou kunnen worden gevraagd.

13.5 “Speciale” kosten

Tenslotte zijn er de vergoedingen naar aanleiding van een overlijden waarover slechts weinig rechtspraak kan worden teruggevonden. Dit komt doordat het gaat om een slechts uitzonderlijk voorkomende schadepost ofwel omdat het blijkbaar niet de gewoonte is vergoeding terzake te vorderen.

De weinig in de rechtspraak voorkomende, maar wel toegekende schadevergoedingen zijn o.a. :

* de aankoop van een hondenhok omdat de hond van de overledene diende te worden geplaatst bij een andere persoon ;
* de kosten voor psychotherapie, nodig om het overlijden te verwerken ;
* de repatriëringskosten naar Turkije ;
* de kosten betreffende het openvallen van de voogdij van het kind.

13.6 Herleiding van bepaalde schadebedragen

In vele gevallen wordt niet de totale uitgave vergoed, maar wordt zij herleid op één of andere wijze. Deze herleiding kan forfaitair worden geraamd door de rechter, op bvb. 50 %, of kan worden berekend door middel van kapitalisatie.

Deze herleidingen gebeuren vooral om de volgende redenen :

a. de uitgave werd niet uitsluitend gemaakt voor de persoon die bij het verkeersongeval is overleden ; bvb. : de grafconcessie geldt niet alleen voor de overledene maar ook voor zijn echtgenote ;
b. het gaat om al te luxueuze en dus te dure zaken ; bvb. rouwprentjes in speciale druk, in kleur, of publicatie in al te veel dagbladen ;
c. het gaat louter om een vervroegde betaling van de begrafenis- en aanverwante kosten ; zo is het begrijpelijk dat slechts een deel van deze kosten wordt vergoed wanneer de overledene reeds een zekere leeftijd had ; de begrafeniskosten zouden hoe dan ook later moeten worden gemaakt, en het is dus enkel maar het nadeel dat deze kosten vervroegd moeten worden betaald dat moet worden vergoed ; de berekening gebeurt vaak door middel van kapitalisatie.

13B. Vergoeding voor het inkomstenverlies door het overlijden.

13 B1. Algemeen

De overlevende echtgenoot (of echtgenote), de kinderen en soms andere rechthebbenden hebben recht op vergoeding voor het verlies van het persoonlijke voordeel dat zij haalden uit de inkomsten van de overledene. Dit verlies moet volledig worden vergoed, aan elk van de benadeelden.

Bij de begroting van het persoonlijk nadeel geleden door de nabestaanden gaat men meestal uit van het inkomen dat de overledene behaalde. In principe kan enkel rekening worden gehouden met het netto-inkomen, na aftrek van de sociale en fiscale lasten (waaruit men immers niet rechtstreeks een voordeel haalt). Wel komt elke vorm van inkomen van de overledene in aanmerking, dus ook het rust- of brugpensioen, de werkloosheids- of invaliditeitsuitkering, …

Evenwel worden de eigen kosten van onderhoud van de overledene in mindering gebracht van het basisinkomen (de kosten voor voeding, kleding, vrije tijd, …).

Het persoonlijk financieel verlies dient zo precies mogelijk te worden berekend. Dit is geen eenvoudige zaak, daar rekening moet worden gehouden met de eventuele toekomstige inkomensstijging die de overledene normalerwijze zou hebben behaald, met de pensioenleeftijd van de overledene, met het voormelde aandeel van de eigen kosten van onderhoud van de overledene, met de geraamde duur dat de kinderen ten laste zouden zijn gebleven, en met het voordeel van de vervroegde betaling.
Wat dit laatste betreft wordt erop gewezen dat de benadeelden nù een volledige vergoeding bekomen voor hun persoonlijk nadeel door het overlijden, terwijl zij bij het overleven van het slachtoffer slechts van dag tot dag in de toekomst de voordelen geput uit het inkomen zouden hebben genoten. Kapitalisatieberekening is hier dus aan de orde.

In elk geval geldt ook hier het principe dat de benadeelden, zoals de echtgenoot en de kinderen, op financieel vlak in dezelfde toestand moeten worden hersteld alsof het ongeval nooit was gebeurd.
Het Hof van Cassatie heeft zelfs aanvaard dat aan de weduwe een vergoeding moet worden toegekend wegens het wegvallen van de kosteloze gezondheidszorgen door haar overleden echtgenoot, een arts.

De I.T. 2016:

“4.3.2.1 Schade wegens het verlies van het inkomen van de overledene

Nabestaanden die voordeel haalden uit het beroepsinkomen van de overledene, kunnen slechts aanspraak maken op dat deel van het inkomen waaruit ze persoonlijk voordeel genoten of zouden kunnen hebben genoten. Het is dan ook belangrijk het aandeel van het persoonlijk onderhoud van het slachtoffer te bepalen.

Het aandeel van het persoonlijk onderhoud van het slachtoffer wordt berekend op basis van het gezamenlijk gezinsinkomen en dient in mindering te worden gebracht van het eigen inkomen van het slachtoffer.

Bij de begroting van het aandeel voor het eigen onderhoud moet onder meer rekening worden gehouden met de leeftijd van de partner en de kinderen, de vaststelling dat het om een eenverdienersgezin dan wel om een tweeverdienersgezin gaat, het niveau van het inkomen, de levensstandaard van het gezin, het beroep van de overledene, de vraag of het echtpaar een gemeenschappelijk vermogen zou opbouwen en de gemeenschappelijke lasten.

Bij gebrek aan concrete elementen voor de berekening van het persoonlijk aandeel kan de volgende formule als vuistregel worden gehanteerd :

gezinsinkomen 100 %
totaal aantal gezinsleden vóór overlijden + 1

Bij het vaststellen van het aantal gezinsleden kan rekening worden gehouden met het feit dat de kinderen op een bepaalde leeftijd het ouderlijke huis verlaten, waardoor het persoonlijk aandeel van de overlevende zal toenemen. Men kan dus, voor de toekomst, in verschillende periodes met onderscheiden percentages voorzien. Bij gebrek aan andere criteria kan de leeftijd van 25 jaar voor het verlaten van de ouderlijke woonst in aanmerking worden genomen.

4.3.2.2 Schade geleden door verlies van de bijdrage in de huishoudelijke activiteiten geleverd door het slachtoffer

De huishoudelijke schade die door de overlevende partner wordt geleden, kan worden berekend op basis van het aandeel van het slachtoffer in de huishoudelijke activiteiten voor zijn overlijden, hetzij 20 € voor een huishouden zonder kinderlast, te verhogen met 7 € per kind ten laste, met een aandeel van 65 % voor de vrouw en 35 % voor de man, tenzij zich een andere verdeling opdringt.

Dit forfait wordt vervolgens gekapitaliseerd in hoofde van diegene die de minst lange levensduurverwachting heeft.

Er zal tevens rekening worden gehouden met de voorzienbare evolutie van de samenstelling van het kerngezin.

De rechter moet rekening houden met het aandeel uit hoofde van het persoonlijk onderhoud van het slachtoffer. In de regel wordt dit aandeel berekend in functie van de globale economische waarde van het gezin en vervolgens in mindering gebracht van de economische huishoudelijke waarde van het slachtoffer. Bij gebrek aan concrete beoordelingselementen kan dit aandeel forfaitair worden geraamd op 20 % in het geval van een gezin zonder kinderlast en op 15 % indien het gezin minstens één kind telt.

Voorbeeld

De man overlijdt op de leeftijd van 40 jaar, gezin zonder kinderen.

Berekenen van de huishoudelijke schade in hoofde van de weduwe, 35 jaar oud :

1. berekening verlies aandeel in huishouden is forfaitair 35 % of 35 % van 20 € = 7 € ;
2. berekening besparing persoonlijk onderhoud man : 20 % (aandeel zonder kinderen) van 20 € (forfait) = 4 € ;
3. eindberekening en kapitalisatie op basis van volgend bedrag per dag : forfait 7 € – 4 € = 3 €.”

13B2. Overlijden van ongehuwde partner

Weet dat bij het overlijden van de ongehuwde partner, tijdens de samenleving, aan de overblijvende partner thans in principe volledig dezelfde vergoedingsbedragen worden toegekend als aan gehuwden. Maar wanneer de overledene niet met u gehuwd was, dan kan u enkel maar vergoeding bekomen voor het verlies aan inkomsten indien u hiervoor de nodige bewijzen kan leveren. Meerbepaald moet u het volgende bewijzen:

a. uw relatie met de overledene bestond reeds meerdere jaren en zij was vast, zodat deze relatie normaal gezien nog vele jaren zou hebben voortgeduurd ;

b. door deze relatie genoot u inkomsten of andere voordelen, die thans door het overlijden zijn weggevallen ; het gaat hier om alle mogelijke voordelen, zoals betaling van (een deel van) de huur, de elektriciteit- en gasrekeningen, e.d., de autokosten, …, of zoals (kosteloze) werkzaamheden; in het beste geval kan u bewijzen dat de overledene de gewoonte had om maandelijks een vast bedrag op een gemeenschappelijke rekening te storten.

Alle middelen van bewijs zijn toegelaten (rekeninguittreksels, foto’s, aankoopfacturen, e.d.).

De rechtbanken stellen zich trouwens vaak vrij soepel op om aan te nemen dat de samenleving kan worden gelijkgesteld met een huwelijk

13B3. Overlijden van gescheiden partner/vader

Was de overleden ex-echtgenoot veroordeeld tot het betalen van onderhoudsgeld aan zijn ex-echtgenoot, dan heeft laatstgenoemde vanzelfsprekend het recht om het verlies van deze inkomsten volledig te vorderen vanwege de aansprakelijke en/of diens B.A.-verzekeraar. Doorgaans is het onderhoudsgeld levenslang verschuldigd, zodat de vergoeding hoog kan oplopen.

Terloops wordt hier aangestipt dat de niet-gehuwde partner geen dergelijk onderhoudsgeld kan vorderen van de ex-partner.

Ten anderen is er de verplichting van elk van de partners om de nodige kosten voor hun kinderen te dragen. Deze verplichting houdt uiteraard niet op na de scheiding. Zie hieronder.

13.B4 Alimentatiegeld voor de kinderen

Art. 203, §1 Burgerlijk Wetboek bepaalt : “De ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen. Indien de opleiding niet voltooid is loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind”.

Het verlies van de kosten die binnen deze verplichting van de overledene vielen moet integraal worden vergoed. Wanneer de overledene gescheiden was van de moeder, dan kan men terugvallen op het vonnis of de notariële akte (of soortgelijk document) waarin de bedragen van het alimentatiegeld voor de kinderen zijn vastgelegd ; normaal gezien moeten deze bedragen volledig worden vergoed door de aansprakelijke (zijnde in de praktijk bijna steeds door de B.A.-verzekeraar).

Maar er kan bovendien een vergoeding worden gevorderd voor alle andere verliezen, zoals voor de normaal te verwachten bijdragen in allerlei buitengewone uitgaven (zoals in de uitgaven voor het huwelijksfeest). Het pas tevens rekening te houden met allerlei andere nadelen ingevolge het overlijden ; als de vader de gewoonte had om bepaalde kosten vrijwillig ten laste te nemen, dan kan ook hiervoor de passende vergoeding worden gevorderd.

In dit kader wordt eraan herinnerd dat niet alleen de rechtstreekse maar ook de onrechtstreekse schade volledig moet worden vergoed.

Volledigheidshalve : het Hof van Cassatie heeft reeds duidelijk gesteld dat de verhoogde kinderbijslag (wezengeld) niet in aanmerking mag worden genomen bij de berekening van de schadevergoeding verschuldigd door de aansprakelijke. Cumulatie tussen het wezengeld en de schadevergoeding is dus volledig toegestaan.

Het past nog aan te stippen dat ook vergoeding voor het verlies van de betaling van alimentatiegeld voor de kinderen kan worden gevorderd indien de overleden vader/moeder in werkelijkheid nooit dit alimentatiegeld heeft betaald. In dit kader kan worden verwezen naar uw rechten tegenover de Dienst voor Alimentatievorderingen (DAVO), naar de dwingende aard van de verplichting om alimentatie te betalen (ook al was daarvoor geen enkele vordering gesteld door de overlevende vader/moeder), en naar de relevante concrete elementen.

Hier geldt eens te meer het advies : vraag tijdig raad. U kan ons hiervoor steeds vragen per e-mail stellen (via bijstand@verkeersslachtoffers.be).

13.8 Er zijn specifieke tegemoetkomingen bij overlijden voorzien :

a. wanneer het gaat om een dodelijk arbeids(weg)ongeval : zich wenden tot de arbeidsongevallenverzekeraar ;
b. bij de pensioendienst van uw gemeente kan u het overlevingspensioen (weduwe- of weduwnaarspensioen) aanvragen ;
c. de administratie van de pensioenen, afdeling begrafenisvergoedingen, betaalt voor overleden ambtenaren en gelijkgestelden een begrafenisvergoeding uit ;
d. het ziekenfonds betaalt een beperkte tussenkomst in de begrafeniskosten ;
e. ook de vakbond betaalt een zekere vergoeding uit ;
f. de bank (waar de overledene een spaarrekening had) betaalt meestal eveneens een zeker bedrag uit ;
g. tot het Fonds voor Kinderbijslag dient u zich te wenden voor de verhoogde kinderbijslag (wezengeld).

Voor de Adressen van voormelde instellingen verwijzen wij u naar ons hoofdstuk terzake.

13C. Morele schade ingevolge overlijden

13.91 Bij overlijden dient uiteraard een passende vergoeding te worden toegekend voor de morele schade, zijnde het leed en de smart, wegens het verlies van een naaste verwant.

Meestal worden de forfaitaire bedragen van de indicatieve tabel *E-O, opgesteld door de Belgische Verenigingen van Magistraten, toegepast, hoewel deze schadebedragen ondermaats zijn.

De indicatieve tabel, zoals aangepast op 9 maart 2017:

“4.3.1 De morele schade

Het overlijden van het slachtoffer raakt de naastbestaande emotioneel in die mate dat elke mogelijkheid om een affectieve band te beleven met deze persoon wordt tenietgedaan. De daaruit voortvloeiende schade, die onschatbaar is, moet worden vergoed. De vergoeding beoogt de erkenning van het bestaan van het lijden.

De bedragen die in de onderstaande tabel worden voorgesteld, zijn forfaitaire vergoedingen, bepaald in functie van de vermoede intensiteit van de affectieve band met het slachtoffer.

Vermits elk schadegeval bijzonder is, kunnen deze bedragen worden aangepast rekening houdend met de specifieke omstandigheden.

Overleden slachtoffer

Begunstigde

Vergoeding

Gehuwd/samenwonend/
samenlevingscontract
Gehuwd/samenwonend/
samenlevingscontract
15.000 €
Inwonende ouder
Inwonend kind
15.000 €
Inwonende ouder
Inwonend weeskind

24.000 €

Niet-inwonende ouder
Niet-inwonend kind
6.000 €
Inwonend kind
Ouder
15.000 €
Zelfstandig wonend kind
Ouder
6.000 €
Miskraam
Ouder
3.000 €
Inwonende broer/zuster
Inwonende broer/zuster
3.000 €
Niet-inwonende broer/zuster
Niet-inwonende broer/zuster
1.800 €
Inwonende grootouders
Inwonende kleinkinderen
3.000 €
Niet-inwonende grootouders
Niet-inwonende kleinkinderen
1.500 €
Inwonende kleinkinderen
Inwonende grootouders
3.000 €
Niet-inwonende kleinkinderen
Niet-inwonende grootouders
1.500 €

Ook andere personen kunnen aanspraak maken op een vergoeding, op voorwaarde dat het vaststaat dat zij een specifieke affectieve band hadden met het slachtoffer.”.

13.92 Het is mogelijk dat het slachtoffer gedurende enkele dagen het ongeval heeft overleefd en dat hij daarbij pijn of andere morele schade heeft ervaren.

De vergoeding voor deze morele schade valt in de nalatenschap (“haeres”) van het slachtoffer en deze schadevergoeding ex haerede komt dus de erfgenamen toe.

De I.T. 2016:

“4.2 Schade ex haerede

Deze omvat het geheel van de morele en materiële schade die het slachtoffer lijdt tussen de datum van het schadeverwekkend feit en deze van zijn overlijden.

Deze schade, waarvan de vergoeding een schuldvordering uitmaakt van de nalatenschap, mag niet worden verward met de schade van de naastbestaande.
Indien bewezen wordt dat het slachtoffer zich bewust was van zijn nakend overlijden, kan als vergoeding voor morele schade, een forfaitair bedrag van 75 €/dag worden toegekend.”