9.51 De begrotingswijzen die relevant zijn in het kader van schadevergoeding zijn:

1° de terugbetaling van de werkelijk betaalde prijs (voor de medicamenten, medische onderzoeken,…); deze hoofdsom wordt vermeerderd met intrest;
in sommige gevallen wordt eventueel een aftrek toegepast wegens het toerekenen van een voordeel (bijvoorbeeld wegens de eigen besparingen bij de huur van een vervangingsvoertuig);

2° de forfaitaire vergoeding, waarbij de vergoeding niet effectief wordt uitgerekend maar op een vast bedrag wordt geschat; deze begrotingswijze kan worden onderverdeeld in twee vormen:

a. er wordt een bedrag voor één schadepost, of één globale som voor meerdere schadeposten gezamenlijk, vastgelegd, rekening gehouden met de concreet vastgestelde toestand; zo kan de expert met de schadelijder overeenkomen dat de voertuigschade in haar totaliteit wordt begroot op bvb. 1.000 euro (zonder te bepalen of het al dan niet een totaal verlies betreft, of dergelijke); zie ook hierna 3° begroting ex aequo;

b. een andere vorm van forfaitaire begroting bestaat erin dat de vooraf vastgelegde vergoedingscriteria worden toegepast op dit concrete geval; zo wordt voor de vergoeding ingevolge de B.A.O. zeer vaak een begroting per punt (= per percent van blijvende invaliditeit ) toegepast, volgens de indicatieve tabel; daarbij wordt de vergoeding uitsluitend bepaald door de graad (= het percentage) van B.A.O. of van B.I. en door de leeftijd van het slachtoffer (en dus niet door de andere relevante factoren, zoals gezinssamenstelling, beroep en inkomen, …);

3° begroting van de schade ex aequo et bono, dus “naar billijkheid en goedheid”, d.w.z. op grove wijze forfaitair * geschat; het bestaan van kwestieuze schadepost is afdoende aannemelijk en dus bewezen, maar tezelfdertijd is het onredelijk of zelfs onmogelijk om van de benadeelde te eisen dat hij de exacte omvang van deze schade dient aan te tonen;
typevoorbeeld: de kledijschade als gevolg van een ongeval wordt bijna steeds ex aequo et bono geraamd (volgens de indicatieve tabel meerbepaald op 375 euro); ook morele-schadeposten worden ex aequo et bono geraamd (zie hoger onder nr. 9.33); bvb. : wegens de lichte letsels die de wandelaar heeft opgelopen doordat hij werd omvergelopen wordt hem voor alle morele en materiële schade gemengd een vergoeding toegekend die ex aequo et bono wordt begroot op 50 euro.

4° de kapitalisatieberekening : zie hierna nr. 9.53;

5° de periodieke (geïndexeerde) rente : zie hierna nr. 9.7.

9.52 De keuze tussen deze onderscheiden begrotingswijzen wordt vooral bepaald door de vaststelling dat men al dan niet voldoende cijfergegevens bezit om een berekening uit te voeren.

Vaak heeft men trouwens te maken met een tussenvorm van vergoedingswijze: het toekomstig loon dat de scholier, die door het ongeval niet meer kan werken, zou hebben verdiend kan uiteraard slechts bij benadering worden geschat, maar andere berekeningsfactoren (zoals de RSZ-bijdragen, de duurtijd tot aan de pensioenleeftijd, e.d.) kunnen precies of toch preciezer worden bepaald.

Essentieel is dat een rechter zo rechtvaardig en doordacht mogelijk een schadepost, bvb. de toekomstige huishoudelijke schade, begroot; dan hebben de partijen geen reden tot klagen, ongeacht welke manier van begroting werd gebruikt door de rechter.

9.53 Vooral vanaf ongeveer 15 % B.A.O. (blijvende arbeidsongeschiktheid) staat men vaak de vergoeding toe bij wijze van kapitalisatieberekening *E-O.

Hierbij worden de verdere toekomstige professionele schade en andere blijvende schade berekend uitgaande van de actuele schadevergoeding per dag, maar rekening gehouden met het voordeel van de vervroegde uitbetaling.

De actuele indicatieve tabel van 2016:

“3.1.2 Kapitalisatie

Een tweede methode van vergoeding van de toekomstige schade, is deze door kapitalisatie. Het is de omzetting in een kapitaal van alle jaarlijkse, maandelijkse of dagelijkse bedragen over de periode waarover de vergoeding na de rechterlijke uitspraak verschuldigd is.

De te hanteren kapitalisatiecoëfficiënt wordt bepaald in functie van de gegevens op het ogenblik van de uitspraak of de minnelijke regeling, niet van de consolidatiedatum of een andere voorgaande datum.

Rekening houdend met de actuele rendementen van financiële beleggingen, verricht door “een goede huisvader”, en gelet op de adviezen van de actuarissen die werden geraadpleegd, stellen de auteurs van de Indicatieve Tabel voor om een gemiddelde rentevoet van 1 % in aanmerking te nemen. Deze is vatbaar voor aanpassing, in meer of in min, rekening houdend met de concrete omstandigheden”.

De levensduur stijgt de laatste decennia pijlsnel: sinds de berekeningen van de levensverwachting bij de geboorte vanaf eind 19° eeuw tot heden blijkt deze levensverwachting elk decennium met meer dan 2 jaar te stijgen (dus 10 jaar geleden stierf men meer dan 2 jaar vroeger dan nu, 20 jaar geleden meer dan 4 jaar vroeger enz.). Kapitalisatieberekening met hantering van verouderde sterftetafels resulteert voor levenslange schade (zoals huishoudelijke en morele schade) dus tot een te lage schadevergoeding.

Bovendien kan worden betwist welke kapitalisatierentevoet moet worden gebruikt. De I.T. oktober 2008 stelde 2 % voorop; voordien was 3 % voorzien in de I.T. (wat een merkelijk lagere vergoeding oplevert dan 2 %). De I.T. 2012 en 2016 stellen een kapitalisatierentevoet voor van 1 %, wat leidt tot een merkelijk hogere vergoeding (zie hierna).

Uit haar aard kan kapitalisatie enkel gebeuren voor toekomstige verliezen (of andere nadelen), die dus nog moeten ontstaan op de dag van de kapitalisatieberekening. Hier wordt de splitsingsmethode toegepast, waarbij via de vastlegging van een scharnierdatum de blijvende schade wordt opgesplitst tussen deze in het verleden en deze in de toekomst. In de praktijk is de scharnierdatum deze van het (toekomstige) vonnis of deze van de dading*A-D.

Bij kapitalisatie moet dus eerst een scharnierdatum worden bepaald, zijnde de datum waarop de dading of het vonnis normalerwijze zal tussenkomen. Vervolgens moet een opsplitsing worden gemaakt tussen 1° de periode in het verleden, dit is de periode tussen de eerste dag vanaf wanneer kwestieuze schade aanvat (meestal de consolidatiedatum) en de scharnierdatum, en 2° de toekomstige periode, dit is de periode vanaf de scharnierdatum tot de laatste dag van die schade (dus tot de pensioenleeftijd voor het beroepsinkomensverlies of tot de overlijdensdatum voor huishoudelijke en morele schade). De kapitalisatieberekening, bedoeld om het voordeel dat de benadeelde geniet door de vervroegde uitbetaling van de schadevergoeding in te calculeren, gebeurt uit haar aard uitsluitend voor de toekomstige schade.
Voor de toekomstige schade neemt men meerbepaald aan dat de vervroegde betaling (op vandaag) een voordeel oplevert van bvb. 1 % per jaar (vanaf vandaag tot op de laatste dag van deze schade, bvb. tot op de pensioenleeftijd).

Wij stellen de kapitalisatierentevoet van 2 % en zelfs deze van thans 1 % voor de begroting van het inkomensverlies toch in vraag. Het inkomen is gekoppeld aan de index, dus aan de inflatie. De kapitalisatierentevoet van 1 % impliceert dus dat een belegd kapitaal (nl. de schadesom voor het verlies aan toekomstige beroepsinkomsten) netto, na belastingen en na aftrek van de inflatie, gemiddeld 1 % per jaar zou opbrengen…

Enkel de schade in het verleden kan worden vermeerderd met vergoedende intrest, vanaf de gemiddelde datum van deze periode.

Uitleg over de kapitalisatie d.m.v. een voorbeeld. Men berekent eerst welk netto-inkomen u normaal gezien zonder het ongeval zou hebben verdiend – bij voorbeeld 1.500 euro per maand – . Veronderstel 1° dat u op de vermoedelijke datum van het vonnis, zijnde de scharnierdatum, nog 25 jaar (= 300 maanden) verwijderd zal zijn van uw pensioenleeftijd en 2° dat u 50% BAO heeft opgelopen door het ongeval en dat u slechts nog de helft van uw loon, dus 750 euro netto per maand, verdient. Hoe wordt uw toekomstig inkomensverlies dan berekend? Het basisbedrag van uw inkomensverlies (750 €) wordt niet zo maar vermenigvuldigd met het aantal maanden tot aan uw pensioenleeftijd ; dus niet zo maar 750 euro x 300 maanden = 225.000 € schadevergoeding. Omdat u deze schadesom nu onmiddellijk in één keer krijgt, terwijl u uw loon normaal gezien pas maand na maand in de toekomst had ontvangen, wordt de som van 225.000 euro verminderd wegens het voordeel van de vervroegde ontvangst van de som; dit gebeurt door een kapitalisatiecoëfficiënt toe te passen. Bvb.: 750 euro (nettoverlies per maand) x 12 maanden x 17,2557 (kapitalisatiecoëfficiënt voor de duurtijd van 25 jaar) = 155.301,30 euro (of bijna 70.000 € minder dan bij niet-kapitalisatie).

Er worden verschillende kapitalisatietabellen gebruikt. Sommige zijn zeer nadelig voor de schadelijder (bvb. de tafels van Levie of van Jaumain); andere zijn aanvaardbaar (zoals de wiskundige tabellen gecombineerd met de meest recente sterftestatistieken, of de tafels van Jacques Schrijvers). Schryvers gaat uit van de mediaanlevensduur, zijnde van de resterende levensduur die gemiddeld door 50,01 % van eenzelfde groep personen wordt behaald; u hebt dus iets meer dan de helft de kans nog even lang te leven.
Levie meent daarentegen dat het slachtoffer oververgoed zou worden indien zijn beroepsinkomensverlies zou worden becijferd over de volledige resterende lucratieve levensduur, dus over alle verdere jaren tot aan het pensioen; immers, er bestaat een kans dat het slachtoffer vroegtijdig overlijdt en deze kans moet worden ingecalculeerd; volgens ons is dit onjuist:
– in de veronderstelling dat 10 % van soortgelijke personen vroegtijdig, vóór de pensioenleeftijd, zal overlijden, betekent dit dat dit welbepaalde slachtoffer X met 90 % zekerheid en dus volgens de normale verwachtingen niet vroegtijdig zal overlijden; waarom zou hij dan een vermindering van zijn vergoeding met 10 % moeten ondergaan?
– de toepassing van de tafels van Levie voor de kapitalisatieberekening van levenslange schade (zoals huishoudelijke en morele schade) is nog meer onverantwoord: zo houdt men enkel rekening met het risico dat men vroeger sterft dan het gemiddelde, terwijl de kans dat men langer dan het gemiddelde leeft toch even groot is !

De gekapitaliseerde som zal een onvolledige vergoeding uitmaken indien bij de kapitalisatieberekening een te hoge rente, de tabellen van Levie, verouderde tabellen of sterftestatistieken, tabellen met jaarlijkse (i.p.v. maandelijkse) betalingen, of een te laag basisbedrag (nettoloon) worden gebruikt. In veel gepubliceerde vonnissen ziet men dat dergelijke berekeningsfactoren al te nadelig zijn vastgelegd voor de benadeelde (vooral doordat diens advocaat niet de juiste berekeningsfactoren heeft aangewend, terwijl de rechter de vergissingen niet mag rechtzetten); zo kan het verschil in het nadeel van het slachtoffer gemakkelijk meer dan 10 % van de juist berekende vergoeding bedragen!

Dit alles is een zeer technische aangelegenheid, voor gespecialiseerde juristen!

9.54 In de meeste andere gevallen wordt de blijvende schade forfaitair *E-O vergoed (d.w.z. grof geraamd).

Zo wordt bij lagere graden van B.I.*A-D (blijvende invaliditeit) de vergoeding ervoor meestal bepaald door de graad van B.I. te vermenigvuldigen met een vast bedrag dat enkel wordt bepaald door de leeftijd van het slachtoffer (zijnde de zogenaamde forfaitaire vergoeding per punt).

Bijvoorbeeld: een slachtoffer van minder dan 15 jaar zal voor een lage graad van B.A.O. doorgaans een forfaitaire vergoeding per procentpunt, zijnde per percent van B.A.O., ontvangen.

De I.T., zoals aangepast in maart 2017:

“3.4.4 Tabel van de forfaitaire vergoedingen

De hierna vermelde bedragen geven de vergoeding per graad van ongeschiktheid weer.

Het forfaitaire bedrag dat aan het slachtoffer toekomt, wordt berekend per ongeschiktheid (de persoonlijke, de huishoudelijke en de economische) en dit in functie van de door de deskundige weerhouden percentages voor elk van deze ongeschiktheden.

Ten aanzien van de huishoudelijke ongeschiktheid dient een aanpassing te geschieden rekening houdend met de bijdrage van het slachtoffer in het huishouden. Bij gebreke aan concrete gegevens, wordt de bijdrage gesplitst ten belope van 65 % voor de vrouw en 35 % voor de man.

Deze forfaitaire bedragen kunnen worden vermeerderd of verminderd en dit in functie van de (beperkte of hoge) graden van de ongeschiktheid en de bijzonderheden van de zaak, evenals de aangetoonde, concrete gevolgen in het leven van het slachtoffer.

– tot en met 15 jaar : 1.220,00 €
– 16 jaar : 1.200,00 €
– 17 jaar : 1.185,00 €
– 18 jaar : 1.170,00 €
– 19 jaar : 1.155,00 €
– 20 jaar : 1.140,00 €
– 21 jaar : 1.125,00 €
– 22 jaar : 1.110,00 €
– 23 jaar : 1.095,00 €
– 24 jaar : 1.080,00 €
– 25 jaar : 1.065,00 €
– 26 jaar : 1.050,00 €
– 27 jaar : 1.035,00 €
– 28 jaar : 1.020,00 €
– 29 jaar : 1.005,00 €
– 30 jaar : 995,00 €
– 31 jaar : 980,00 €
– 32 jaar : 965,00 €
– 33 jaar : 945,00 €
– 34 jaar : 930,00 €
– 35 jaar : 915,00 €
– 36 jaar : 900,00 €
– 37 jaar : 885,00 €
– 38 jaar : 870,00 €
– 39 jaar : 855,00 €
– 40 jaar : 840,00 €
– 41 jaar : 825,00 €
– 42 jaar : 810,00 €
– 43 jaar : 795,00 €
– 44 jaar : 780,00 €
– 45 jaar : 765,00 €
– 46 jaar : 750,00 €
– 47 jaar : 735,00 €
– 48 jaar : 720,00 €
– 49 jaar : 705,00 €
– 50 jaar : 790,00 €
– 51 jaar : 675,00 €
– 52 jaar : 660,00 €
– 53 jaar : 645,00 €
– 54 jaar : 630,00 €
– 55 jaar : 615,00 €
– 56 jaar : 600,00 €
– 57 jaar : 585,00 €
– 58 jaar : 570,00 €
– 59 jaar : 555,00 €
– 60 jaar : 540,00 €
– 61 jaar : 525,00 €
– 62 jaar : 510,00 €
– 63 jaar : 495,00 €
– 64 jaar : 480,00 €
– 65 jaar : 465,00 €
– 66 jaar : 450,00 €
– 67 jaar : 435,00 €
– 68 jaar : 420,00 €
– 69 jaar : 405,00 €
– 70 jaar : 390,00 €
– 71 jaar : 375,00 €
– 72 jaar : 360,00 €
– 73 jaar : 345,00 €
– 74 jaar : 330,00 €
– 75 jaar : 315,00 €
– 76 jaar : 300,00 €
– 77 jaar : 285,00 €
– 78 jaar : 270,00 €
– 79 jaar : 255,00 €
– 80 jaar : 240,00 €
– 81 jaar : 225,00 €
– 82 jaar : 210,00 €
– 83 jaar : 195,00 €
– 84 jaar : 180,00 €
– 85 jaar en ouder : 165,00 €

Voorbeeld :
– slachtoffer : man – 20 jaar oud
– persoonlijke ongeschiktheid : 15 %
– huishoudelijke ongeschiktheid : 10 % – aandeel huishouden : 35 %
– economische ongeschiktheid : 6 %
Vergoeding = persoonlijke ongeschiktheid : 15 x 1.140 € =17.100 €
huishoudelijke ongeschiktheid : 10 x 1.140 € x 35 % = 3.990 €
economische ongeschiktheid : 6 x 1.140 € = 6.840 €.”

Hier zijn dus enkel het percentage van B.I. / B.A.O. en de leeftijd determinerend voor de schadevergoeding. De arbitraire grenzen van 6 en 15 % blijvende ongeschiktheid (B.O.), die voorzien waren in de I.T. 2012, zijn gelukkig opgeheven.

Hier wordt de vergoeding bepaald door het percentage (of graad) van B.O. en door de soorten lichamelijke schade die werden weerhouden door de gerechtsdeskundige (of bij de minnelijke medische expertise). Volgens de nieuwe indicatieve tabel worden de drie volgende soorten blijvende lichamelijke schade onderscheiden :

a. de blijvende persoonlijke ongeschiktheid (B.P.O.), zijnde de levenslange morele schade (pijn, bewegingsbeperkingen, ongemakken, …) ; deze komt in feite steeds voor indien er enige blijvende lichamelijke schade wordt aangenomen ;
b. de blijvende huishoudelijke ongeschiktheid (B.H.O.), of juister de blijvende huishoudelijke schade, dus de verminderde mogelijkheid om de huishoudelijke activiteiten te verrichten ;
c. de blijvende professionele of economische ongeschiktheid (B.E.O.), zijnde het blijvend verlies aan economische waarde binnen de openstaande mogelijkheden tot beroepsuitoefening, al dan niet gepaard gaand met beroepsinkomstenverlies.

Ingeval enkel blijvende morele schade (B.P.O.) of enkel B.I. werd weerhouden in de medische besluiten, dus zonder B.E.O. noch B.H.O. of zonder B.A.O., dan zal u slechts 1 keer bovenstaande forfaitaire vergoeding per punt ontvangen. Maar indien wel B.O. of B.A.O. wordt weerhouden, dan zal u drie keer bovenstaande vergoeding per punt bekomen.

Een voorbeeld : de gerechtsdeskundige besluit dat de graad van B.P.O. (of van B.I.) voor het whiplash-slachtoffer wordt vastgelegd op 4 % ; de leeftijd op de consolidatiedatum is 40 jaar. De vergoeding zal worden vastgelegd op:
840 € (zijnde de forfaitaire vergoeding per procentpunt van B.I., volgens bovenstaande tabel, omdat slechts één van de drie soorten lichamelijke schade is weerhouden, nl. de B.P.O.) x 4 (% B.I. of B.P.O.) = 3.360 € (meer intrest vanaf de consolidatiedatum).
Indien bij de medische besluiten daarentegen 4 % blijvende ongeschiktheid (B.O.) of blijvende arbeidsongeschiktheid (B.A.O.) zou zijn weerhouden, en dus niet enkel B.P.O. of B.I., dan zou voor elk van de 3 soorten lichamelijke schade bovenstaande vergoeding per procentpunt worden toegekend. Dan zou de vergoeding dus worden begroot op 840 € x 4 procentpunten x 3 (omdat de 3 soorten lichamelijke schade zijn weerhouden) = 10.080 € (meer intrest vanaf de consolidatie) ; immers, indien B.O. (of B.A.O.) is weerhouden, dan wordt aangenomen dat de drie voormelde soorten van B.O. bestaan.

9.55 Bij bovenstaande onderverdeling van de lichamelijke schade in drie soorten moet nog gewag worden gemaakt van een tussensoort, nl. de meerinspanningen.

Het slachtoffer kan nog steeds zijn professionele en huishoudelijke activiteiten volledig uitoefenen, maar moet daarbij – voortdurend of af en toe – verhoogde inspanningen opbrengen.

De I.T. 2012 : “Indien verhoogde inspanningen worden geleverd en deze niet in concreto begrootbaar zijn, kunnen zij worden vergoed middels een bedrag van 20 euro per gepresteerde dag aan 100 % ongeschiktheid vanaf de dag van de herneming van de professionele activiteit. Per analogie moeten de verhoogde inspanningen geleverd door een student op dezelfde wijze worden gewaardeerd”.

Blijkbaar is de indicatieve tabel vergeten dat ook het moeten opbrengen van meerinspanningen bij huishoudelijke bezigheden vergoedbare materiële schade uitmaakt.